De Heilige Schrift, het Oude en het Nieuwe Testament, is het geschreven
Woord van God, door goddelijke inspiratie overgeleverd aan "heilige mensen Gods", die in
hun spreken en schrijven gedreven werden door de Heilige Geest. In dit Woord heeft God
de mens de nodige kennis tot heil aangereikt. De Heilige Schrift is de onfeilbare
openbaring van zijn wil. Deze is de norm voor gedrag en geloofsbeleving, de gezaghebbende
openbaringsbron van de geloofsleer en het betrouwbare verslag van Gods daden in de geschiedenis.
(Ps. 119:105; Spr. 30:5,6; Jes. 8:20; Joh. 10:35; 17:17; 1 Tess. 2:13; 2 Tim. 3:16; Heb. 4:12; 2
Petr. 1:20,21).
Er is één God, Vader, Zoon en Heilige Geest, en deze drie zijn één. God is eeuwig, almachtig,
alwetend, boven alles en altijd tegenwoordig. Hij is onbegrensd en door de mens niet te
doorgronden, maar kan desondanks gekend worden vanuit zijn zelfopenbaring. Hij is te allen
tijde onze aanbidding en verering waardig en moet door de gehele schepping gediend worden.
(Deut. 6:4; 29:29; Mat. 28:19; 2 Kor. 13:14; Ef. 4:4-6; 1 Tim. 1:17; 1 Petr. 1:2; Op. 14:6,7).
God de eeuwige Vader is de Schepper, de Bron, de Onderhouder en de Heerser over al het
geschapene. Hij is rechtvaardig en heilig, genadig en barmhartig, traag tot toorn en rijk
aan niet aflatende liefde en trouw. Wat wij aan hoedanigheden en krachten in de Zoon en in
de Heilige Geest ontdekken, zijn eveneens openbaringen van de Vader.
(Gen. 1:1; Ex. 34:6,7; Joh. 3:16; 14:9; 1 Kor. 15:28; 1 Tim. 1:17; 1 Joh. 4:8; Op. 4:11).
Door Hem werd alles geschapen, werd het karakter van God geopenbaard, de redding van de
mensheid tot stand gebracht en wordt de wereld geoordeeld. Voor eeuwig waarlijk God, werd
Hij ook waarlijk mens: Jezus, de Christus. Hij werd ontvangen uit de Heilige Geest en
geboren uit de maagd Maria. Hij leefde als mens en werd verzocht, maar openbaarde op
volmaakte wijze de rechtvaardigheid en liefde van God.
In zijn wonderen werd Gods macht zichtbaar. Zij getuigden van zijn goddelijke roeping als
Messias. Hij leed en stierf vrijwillig aan het kruis voor onze zonden, werd opgewekt uit
de doden en voer ten hemel om in het hemels heiligdom voor ons de dienst te verrichten.
Hij zal terugkeren in heerlijkheid voor de uiteindelijke verlossing van zijn volk en het
herstel van alle dingen.
(Luc. 1:35; Joh. 1:1-3,14; 5:22; 10:30; 14:1-3,9; Heb. 2:9-18; 4:15; 7:25; 8:1,2; 9:28; Rom. 5:18;
6:23; 1 Kor. 15:3,4; 2 Kor. 5:17-21; Fil. 2:5-11; Kol. 1:15-19; 1 Petr. 2:21; Op. 22:20).
God de eeuwige Geest was met de Vader en de Zoon werkzaam in de schepping, vleeswording
en verlossing. Hij inspireerde de schrijvers van de Bijbel. Hij vulde Christus' leven
met macht. Hij nodigt en overtuigt de mens, en wie gehoor geeft, vernieuwt en verandert
Hij naar het beeld Gods. Gezonden door de Vader en de Zoon, om altijd bij zijn kinderen
te zijn, deelt Hij geestelijke gaven uit aan de gemeente, geeft Hij haar kracht om van
Christus te getuigen en leidt haar, in overeenstemming met de Schrift, in alle waarheid.
(Gen. 1:1,2; Luc. 1:35; 4:18; Joh. 14:16-18,26; 16:7-13; Hand. 1:8; 10:38; 2 Kor. 3:18;
Ef. 4:11,12;2 Petr. 1:21).
God is de Schepper van alle dingen en heeft in de Schrift het waarachtige verslag van
zijn werken geopenbaard. In zes dagen heeft de Heer "de hemel en de aarde" en alle
levende wezens op aarde gemaakt, en op de zevende dag van de eerste week heeft Hij
gerust. Op deze wijze heeft Hij de sabbat ingesteld als een blijvend gedenkteken van
zijn voltooid scheppingswerk. De eerste man en vrouw werden gemaakt naar het beeld
Gods als bekroning van de schepping. Hun werd heerschappij gegeven over de aarde,
en verantwoordelijkheid haar te onderhouden. Toen de wereld voltooid was, was alles
"zeer goed", en verkondigde deze Gods eer.
(Gen. 1; 2; Ex. 20:8-11; Ps. 19:1-6; 33:6,9; 104; Joh. 1:1-3; Kol. 1:16,17; Heb. 11:3).
Man en vrouw werden naar het beeld Gods geschapen met persoonlijkheid, macht en vrijheid
om te denken en te doen. Elk mens is een ondeelbare eenheid van lichaam, ziel en geest.
Ofschoon als vrij wezen geschapen, blijft hij van God afhankelijk voor zijn leven en al
het overige. Toen onze stamouders God ongehoorzaam werden, ontkenden zij hun afhankelijkheid
van Hem, en verloren hun hoge positie onder God. Het beeld Gods in hen werd vervormd, en zij
raakten aan de dood onderworpen. Hun nakomelingen delen in deze gevallen natuur en de
gevolgen hiervan. Zij worden geboren met zwakheden en de neiging tot kwaad. Maar God
verzoende in Christus de wereld met Zichzelf en herstelt door zijn Geest in berouwvolle
stervelingen het beeld van hun Maker. Zij zijn geschapen tot eer van God en geroepen
om Hem en elkaar lief te hebben en voor hun omgeving te zorgen.
(Gen. 1:26-28; 2:7; 3; Ps. 8:4-8; 51:5; Hand. 17:24-28; Rom. 5:12-17; 2 Kor. 5:19,20).
De hele mensheid is nu betrokken in een grote strijd tussen Christus en satan aangaande
het karakter van God, zijn wet en zijn heerschappij over het universum. Dit conflict
begon in de hemel, toen een geschapen wezen, begiftigd met vrijheid van keuze, tot satan,
Gods tegenstander, werd, en een deel van de engelen tot opstand aanzette. Hij bracht de
geest van opstand in deze wereld toen hij Adam en Eva tot zonde verleidde. Deze zonde
van de mens had de vervorming van het beeld Gods in het mensdom tot gevolg. Dit leidde
tot wanorde binnen de geschapen wereld, en de uiteindelijke vernietiging daarvan ten
tijde van de wereldomvattende zondvloed. Ten aanschouwen van de hele schepping werd
deze wereld het strijdperk van een alomvattend conflict. Daarin zal God uiteindelijk
als een God van liefde in het gelijk worden gesteld. Om zijn volk in deze strijd bij
te staan, zendt Christus de Heilige Geest en getrouwe engelen om hen te leiden, te
beschermen, en te ondersteunen op de weg des heils.
(Gen. 3; 6; 7; 8; Jes. 14:12-14; Ez. 28:12-18; Rom. 1:19-32; 5:12-21; 8:19-22;
1 Kor. 4:9; Heb. 1:4-14; 2 Petr. 3:6; Op. 12:4-9).
In Christus' leven van volmaakte gehoorzaamheid aan Gods wil, zijn lijden,
dood en opstanding, heeft God voorzien in het enige zoenmiddel voor de zonde van de mens,
zodat zij die door het geloof deze verzoening aanvaarden, eeuwig leven mogen ontvangen,
en de hele schepping de oneindige en heilige liefde van de Schepper mag verstaan. Deze
volmaakte verzoening stelt de rechtvaardigheid van Gods wet en zijn genadevolle karakter
op overtuigende wijze vast; want het veroordeelt onze zonde en verschaft ons tegelijkertijd
vergeving. De dood van Christus is plaatsvervangend en uitdelgend, verzoenend en herscheppend.
De opstanding van Christus verkondigt Gods overwinning op de krachten van het kwade, en
verzekert degenen die de verzoening aanvaarden, van hun uiteindelijke overwinning op zonde en dood.
Deze opstanding geeft aan, dat Jezus Christus hun Heer is, voor wie alle knie, in hemel en op aarde,
zal buigen.
(Jes. 53; Joh. 3:16; Rom. 1:4; 3:25; 4:25; 8:3,4; 2 Kor. 5:14,15,19-21; Fil. 2:6-11;
Kol. 2:15; 1 Joh.2:2; 4:10).
In oneindige liefde en genade heeft God Christus - die geen zonde gekend heeft - voor ons tot
zonde gemaakt, opdat wij zouden worden gerechtigheid Gods in Hem. Door de Geest geleid beseffen
wij onze tekortkomingen, erkennen wij onze zondigheid, hebben wij berouw over onze overtredingen
en oefenen wij geloof in Jezus als Christus en Heer, als plaatsvervanger en voorbeeld. Dit
geloof, dat de verlossing ontvangt, komt door de goddelijke macht van het Woord en is Gods
genadegave. Door Christus worden wij gerechtvaardigd, aangenomen als kinderen van God en bevrijd
van de heerschappij van de zonde. Door de Geest worden wij wedergeboren en geheiligd; de Geest
vernieuwt onze geest, schrijft Gods wetten van liefde in ons hart en geeft ons de kracht een
heilig leven te leiden. Wanneer wij in Hem blijven, krijgen we deel aan de goddelijke natuur
en hebben wij de verzekering van het heil, nu en in het oordeel.
(Ps. 27:1; Jes. 12:2; Jona 2:9; Mat. 18:3; Joh. 3:3-8; 3:16; Rom. 3:24-26; 4:25; 5:6-10; 6:9-15; 8:1-
4,14,15,26,27; 10:7; 1 Kor. 2:5; 15:3,4; 2 Kor. 5:17-21; Gal. 1:4; 2:19,20; 3:13; 3:26; 4:4-7; Ef. 2:5-
10; 3:16-19; Heb. 8:7-12; 1 Petr. 1:23; 2:21; 1 Joh. 1:9; 2:1).
De kerk is de gemeenschap der gelovigen die Christus Jezus als Heer en Heiland belijdt. In
aansluiting op het volk van God in oudtestamentische tijden, worden wij uit de wereld geroepen
en komen wij samen om te aanbidden, om de verbondenheid met elkaar te beleven, onderricht te
worden in het Woord, om de maaltijd des Heren te vieren, de gehele mensheid te dienen en het
evangelie aan de hele wereld te verkondigen. De kerk ontleent haar gezag aan Christus, het
vleesgeworden Woord, en aan de Heilige Schrift, die het geschreven Woord is. De kerk is Gods
gezin; de leden ervan (die door Hem als zijn kinderen zijn aangenomen), leven onder het nieuwe
verbond. De kerk is het lichaam van Christus, een geloofsgemeenschap waarvan Christus Zelf het
hoofd is. De kerk is de bruid voor wie Christus stierf om haar te heiligen en te reinigen. Bij
zijn terugkeer in heerlijkheid zal Hij haar voor Zich plaatsen als een stralende kerk: de
getrouwen uit alle eeuwen, gekocht door zijn bloed, zonder vlek of rimpel, maar heilig en
onbesmet.
(Gen. 12:3; Mat. 16:13-20; 21:43; Joh. 20:21,22; Hand. 1:8; 7:38; Rom. 8:15-17; 1 Kor. 12:13-27;
Ef. 1:15,23; 2:12; 3:8-11,15; 4:11-15).
De algemene kerk bestaat uit allen die waarachtig in Christus geloven. In het laatste der dagen,
een tijd van algemene afval, is een rest ertoe geroepen om de geboden Gods en het geloof van
Jezus te houden. Deze rest kondigt aan, dat het uur van het oordeel is gekomen, predikt het heil
in Christus, en verkondigt zijn naderende wederkomst. Deze afkondiging wordt verbeeld door de
drie engelen van Openbaring 14; zij valt samen met het oordeelswerk in de hemel en leidt tot een
werk van berouw en vernieuwing op aarde. Iedere gelovige wordt geroepen om persoonlijk deel te
nemen aan dit wereldwijde getuigenis.
(Mat. 24:14; 28:18-20; Mar. 16:15; 2 Kor. 5:10; Ef. 5:22-27; Op. 12:17; 14:6-12; 18:4; 21:1-14).
De kerk is één lichaam met vele leden, geroepen uit alle natie, geslacht, tong en volk. In
Christus worden we een nieuwe schepping; onderscheid in ras, cultuur, ontwikkeling en nationaliteit,
en verschillen tussen hoog en laag, rijk en arm, mannelijk en vrouwelijk, mogen geen verdeeldheid
onder ons teweegbrengen. Wij zijn allen gelijk in Christus, die ons door één Geest in één gemeenschap
met Hem en met elkaar verbonden heeft; wij moeten dienen en ons laten dienen zonder partijdigheid of
terughoudendheid. Door de openbaring van Jezus Christus in de Schrift delen wij in hetzelfde geloof
en dezelfde hoop, en doen al het mogelijke dat in een gemeenschappelijk getuigenis aan allen uit te
dragen. Deze eenheid heeft haar bron in de eenheid van de drieënige God, die ons aangenomen heeft als
zijn kinderen.
(Ps. 133:1; Joh. 17:20-23; Hand. 17:26,27; 1 Kor. 12:12-14; 2 Kor. 5:16,17; Gal. 3:27-29; Ef. 4:1-6;
Kol. 3:10-15; Jak. 2:2-9; 1 Joh. 5:1).
In de doop belijden wij ons geloof in de dood en opstanding van Jezus Christus en betuigen onze
dood voor de zonde en ons voornemen in nieuwheid des levens te wandelen. Zo erkennen wij Christus
als Heer en Heiland, worden zijn volk en worden wij door zijn kerk als leden aanvaard. De doop is
een zinnebeeld van onze verbondenheid met Christus, de vergeving van onze zonden en ons ontvangen
van de Heilige Geest. De doop vindt plaats door onderdompeling in water en op de belijdenis van
het geloof in Jezus en blijk van berouw. Hij volgt op onderricht vanuit de Heilige Schrift en
aanvaarding van de bijbelse leer.
(Mat. 3:13-16; 28:19,20; Hand. 2:38; 16:30-33; 22:16; Rom. 6:1-6; 1 Kor. 12:13; Gal. 3:27; Kol.
2:12,13; 1 Petr. 3:21).
De maaltijd des Heren is het deelnemen aan de tekenen van het lichaam en bloed van Jezus als
uitdrukking van het geloof in Hem, onze Heer en Heiland. In deze ervaring van gemeenschap is
Christus aanwezig om zijn volk te ontmoeten en kracht te geven. Wanneer wij eraan deelnemen,
verkondigen wij, vol vreugde, de dood van de Heer tot Hij komt. Aan de maaltijd gaan vooraf:
voorbereiding, berouw en belijdenis. De Meester stelde de dienst van de voetwassing in als teken
van een hernieuwde reiniging, om uitdrukking te geven aan de bereidheid elkaar, naar het
voorbeeld van Jezus, in nederigheid te dienen en om onze harten in liefde te verbinden. De
maaltijd des Heren is toegankelijk voor alle gelovige christenen.
(Mat. 26:17-30; Joh. 6:48-63; 13:1-17; 1 Kor. 11:23-30; 10:16,17; Op. 3:20).
God schenkt aan alle leden van zijn kerk-van-alle-eeuwen geestelijke gaven die elk lid dient te
gebruiken in een liefdevolle dienst voor het algemeen welzijn van de kerk en de mensheid. De
gaven worden gegeven door middel van de Heilige Geest, die een ieder in het bijzonder toedeelt
gelijk Hij wil. De gaven verschaffen alle bekwaamheden en ambten die de kerk nodig heeft om haar
van God gegeven taak te vervullen. Volgens de Heilige Schrift omvatten deze gaven o.a. bedieningen
van geloof, profetie, genezing, verkondiging, onderwijs, bestuur, verzoening, medegevoel, en
zelfopofferend dienstbetoon en liefde om mensen te helpen en te bemoedigen. Sommige leden worden
door God geroepen en door de Geest begiftigd voor ambten zoals herder, evangelist, apostel of leraar
en worden als zodanig door de kerk erkend. Zij zijn nodig om de heiligen toe te rusten tot dienstbetoon,
tot opbouw van de kerk tot geestelijke rijpheid en om de eenheid van het geloof en de kennis van God te
bevorderen. Wanneer leden als trouwe rentmeesters deze geestelijke gaven van Gods veel-kleurige genade
gebruiken, wordt de kerk beschermd tegen de vernietigende invloed van valse leer. Zij groeit dan met
een groei die van God is, en wordt opgebouwd in geloof en liefde.
(Mat. 25:31-36; Hand. 6:1-7; Rom. 12:4-8; 1 Kor. 12:9-11,27,28; 2 Kor. 5:14-21; Ef. 4:8,11-16; Kol.
2:19; 1 Tim. 2:1-3; 1 Petr. 4:10,11).
Een van de gaven van de Geest is profetie. Deze gave is een kenmerk van de gemeente der overigen,
en kwam tot uiting in het werk van Ellen G. White. Als gezondene van de Heer vormen haar geschriften
een blijvende en gezaghebbende bron van waarheid en verschaffen zij de kerk troost, onderwijs en
vermaning. Deze geschriften maken ook duidelijk dat de Bijbel de norm is waaraan alle onderwijs en
ervaring moet worden getoetst.
(Joël 2:28,29; Hand. 2:14-21; Heb. 1:1-3; Op. 12:17; 19:10).
De belangrijkste grondbeginselen van Gods wet zijn vervat in de Tien Geboden en werden nageleefd
in het leven van Christus. Zij zijn uitdrukking van Gods liefde, zijn wil en zijn bedoelingen t.a.v.
het gedrag en de onderlinge verhoudingen van de mens, en zijn bindend voor alle mensen in alle tijden.
Deze voorschriften zijn de grondslag van Gods verbond met zijn volk en vormen de maatstaf in Gods oordeel.
Door de werkzaamheid van de Heilige Geest wijzen zij zonde aan en wekken het besef dat wij een Zaligmaker
nodig hebben. De verlossing is geheel uit genade en niet uit (de) werken, maar de vrucht ervan is
gehoorzaamheid aan de geboden. Deze gehoorzaamheid draagt bij tot de ontwikkeling van een christelijk
karakter en loopt uit op een besef van vrede. Zij is blijk van onze liefde voor de Heer en onze zorg
voor onze medemens. De geloofsgehoorzaamheid toont de macht van Christus om mensen te veranderen en
ondersteunt daarom het christelijk getuigenis.
(Ex. 20:1-17; Deut. 28:1-14; Ps. 19:7-13; Mat. 5:17; 22:36-40; Joh. 14:15; Rom. 8:1-4; Ef. 2:8; 1
Joh. 5:3).
De weldadige Schepper rustte, na de zes scheppingsdagen, op de zevende dag en stelde desabbat in
voor alle mensen als een gedenkteken van de schepping. Het vierde gebod van Gods onveranderlijke wet
eist de viering van de sabbat (de zevende dag) als een dag van rust, aanbidding en bediening in
overeenstemming met het onderwijs en de gewoonte van Jezus, de Heer van de sabbat. De sabbat is
een dag van vreugdevol omgaan met God en de naaste. Hij is een symbool van onze vreugde in Christus,
een teken van onze heiliging, een bewijs van onze trouw en een voorproef van onze eeuwige toekomst in
Gods koninkrijk. De sabbat is Gods altijddurende teken van het eeuwig verbond tussen Hem en zijn volk.
Het vreugdevol waarnemen van deze heilige tijd, van avond tot avond, van zonsondergang tot zonsondergang,
is een viering van Gods scheppend en verlossend handelen.
(Gen. 2:1-3; Ex. 20:8-11; 31:12-17; Lev. 23:32; Deut. 5:12-15; Jes. 56:5,6; 58:13,14;
Mar. 2:27.28; Luc. 4:16; Heb. 4:1-11).
Wij zijn Gods rentmeesters. Van Hem ontvangen wij tijd en mogelijkheden, bekwaamheden en bezit,
en de zegeningen van de aarde en haar rijkdommen. Wij zijn aan Hem verantwoording schuldig voor
het juiste gebruik hiervan. Wij erkennen Gods eigendomsrecht door Hem en onze medemensen trouw
te dienen en door onze tienden terug te geven en gaven te brengen voor de verkondiging van zijn
evangelie en voor het welzijn en de groei van zijn kerk. Rentmeesterschap is een voorrecht, ons
door God gegeven om ons in liefde op te voeden en ons de overwinning te doen behalen over egoïsme
en hebzucht. De rentmeester verheugt zich in de zegeningen die anderen ten deel vallen als gevolg van zijn getrouwheid.
(Gen. 1:26-28; 2:15; Hag. 1:3-11; Mal. 3:8-12; Mat. 23:23; 1 Kor. 9:9-14).
Wij zijn geroepen om een godvruchtig volk te zijn, dat denkt, voelt en handelt in overeenstemming met de
hemelse beginselen. Om de Heilige Geest de gelegenheid te geven in ons het karakter van de Heer te herscheppen,
wensen wij alleen betrokken te zijn bij die dingen die een christelijke reinheid, gezondheid en vreugde in ons
leven tot stand brengen. D.w.z. dat ontspanning en vrijetijdsbesteding moeten voldoen aan de hoogste normen van
christelijke smaak en verfijning. Bij alle verschil in cultuur behoort onze kleding eenvoudig, bescheiden en
netjes te zijn, zoals het hen betaamt wier schoonheid niet bestaat uit uitwendige versierselen, maar uit de
onvergankelijke tooi van een zachtmoedige en stille geest. Omdat ons lichaam een tempel is van de Heilige Geest,
dienen wij er op een verstandige manier mee om te gaan. Naast voldoende lichaamsbeweging en rust, moeten wij ons
zo gezond mogelijk voeden en ons onthouden van onrein voedsel, zoals in de Schrift aangegeven. Daar alcoholische
dranken, tabak en het onverantwoordelijk gebruik van medicijnen en verdovende middelen schadelijk zijn voor het
lichaam, behoren wij ons daarvan eveneens te onthouden. In plaats daarvan moeten wij bezig zijn met al die
dingen die onze gedachten en ons lichaam brengen onder het gezag van Christus, die het beste met ons voorheeft.
(Lev. 11:1-47; Rom. 12:1,2; 1 Kor. 6:19; 10:31; 2 Kor. 7:1; 10:5; Ef. 5:1-13; Fil. 4:8;
1 Tim. 2:9,10; 1 Petr. 3:1-4; 1 Joh. 2:6).
Het huwelijk werd in Eden door God ingesteld. Jezus onderstreepte dat het huwelijk een levenslange verbintenis
is tussen man en vrouw in liefdevolle kameraadschap. Voor de christen is een huwelijk bindend jegens zowel God
als de partner en behoort aangegaan te worden door partners die van hetzelfde geloof zijn. Wederzijdse liefde,
eer, respect en verantwoordelijkheid zijn de bouwstenen van deze relatie, die de liefde, heiligheid, hechtheid
en het blijvende van de band tussen Christus en zijn kerk weerspiegelen. Met betrekking tot echtscheiding leerde
Jezus dat degene die van zijn partner scheidt, behalve in geval van overspel, en een ander trouwt, echtbreuk
pleegt. Ofschoon sommige gezinsrelaties verre van ideaal zijn, mogen huwelijkspartners die zich in Christus
geheel op elkaar richten, door de leiding van de Geest en de zorg van de kerk, hopen een eenheid in liefde te
bereiken. God zegent het gezin, en wenst dat gezinsleden elkaar bijstaan op de weg naar de volwassenheid. Ouders
moeten hun kinderen opvoeden om de Heer lief te hebben en te gehoorzamen. Door hun voorbeeld en woorden moeten
zij hen leren dat Christus een liefhebbende, altijd tedere en zorgzame tuchtmeester is, die wil dat zij leden
van zijn gezin, het lichaam van Christus, worden. Toenemende gezinshechtheid is één van de kenmerken van de
laatste evangelieboodschap.
(Gen. 2:18-25; Deut. 6:5-9; Spr. 22:6; Mal. 4:5,6; Mat. 5:32,32; 19:3-9; Mar. 10:11,12; Luc. 16:18;
Joh. 2:1-11; 1 Kor. 7:10,11; Ef. 5:21-33; 6:1-4).
Er is een heiligdom in de hemel, de ware tabernakel, die de Heer heeft opgericht, en niet een mens. Daarin doet Christus dienst,
ons ten goede, en maakt Hij de resultaten van zijn zoenoffer, dat eens en voor altijd aan het kruis is gebracht, beschikbaar
voor alle gelovigen. Hij werd als onze grote Hogepriester ingewijd en begon zijn bemiddelende dienst bij zijn hemelvaart. In
1844, aan het einde van het profetische tijdperk van 2300 dagen, begon Hij aan de tweede en laatste fase van
zijn verzoeningswerk. Dat is een werk van onderzoekend oordeel, dat deel uitmaakt van de uiteindelijke verdelging
van alle zonde, uitgebeeld in de reiniging van het Hebreeuwse heiligdom, uit de oudheid, op de Grote Verzoendag. In
deze zinnebeeldige dienst werd het heiligdom gereinigd met bloed van dierenoffers, maar de hemelse dingen worden
gereinigd door het volmaakte offer van het bloed van Christus. Het onderzoekend oordeel openbaart aan de hemelse
wezens welke doden in Christus zijn ontslapen en daarom, in Hem, waardig worden geacht deel te hebben aan de
eerste opstanding. Het maakt ook duidelijk welke van de levenden in Christus standhouden, de geboden van God
en het geloof van Jezus bewaren, en daarom in Hem gereed zijn voor opneming in zijn eeuwig koninkrijk. Dit
oordeel toont de gerechtigheid van God aan in de verlossing van hen die in Christus geloven. Het verklaart
dat zij die God trouw zijn gebleven, het koninkrijk zullen ontvangen. De voltooiing van dit dienstwerk van
Christus luidt het einde van de genadetijd voor de mens, vlak voor de wederkomst, in.
(Lev. 16; Num. 13:34; Ez. 4:6; Dan. 7:9-27; 8:13,14; 9:24-27; Mal. 3:1; Heb. 1:3; 8:1-5;
9:11-28; Op. 14:12; 20:12; 22:12).
De wederkomst van Christus is de gezegende hoop van de kerk, de grootste climax van het evangelie. De
komst van de Verlosser zal werkelijk, persoonlijk, zichtbaar en wereldomvattend zijn. Bij zijn komst
zullen de rechtvaardige doden worden opgewekt, en tezamen met de levende rechtvaardigen worden verheerlijkt
en in de hemel worden opgenomen. Maar de onrechtvaardigen zullen sterven. Het feit dat de meeste profetische
lijnen vrijwel geheel in vervulling zijn gegaan en de huidige toestand in de wereld, tonen aan dat Christus'
komst op handen is. Het moment van die gebeurtenis is niet geopenbaard en daarom worden wij gemaand te allen
tijde bereid te zijn.
(Joël 3:9-16; Mat. 24; Mar. 13; Luc. 21; Joh. 14:1-3; Hand. 1:9-11; 1 Kor. 15:51-54; 1 Tess.
4:16,17; 2 Tess. 2:8; 2 Tim. 3:1-5; Tit. 2:13; Heb. 9:28).
Het loon van de zonde is de dood. Maar God, die alleen onsterfelijk is, zal aan de verlosten eeuwig
leven verlenen. Tot die dag is de dood voor alle mensen een toestand van onbewust-zijn. Wanneer Christus,
die ons leven is, verschijnt, zullen de opgestane en de dan nog levende rechtvaardigen verheerlijkt en
opgenomen worden om hun Heer te ontmoeten. De tweede opstanding, die der onrechtvaardigen, zal duizend
jaar later plaatsvinden.
(Ps. 146:4; Pr. 9:5,6; Joh. 5:24,28,29; Rom. 6:23; 8:35-39; 1 Kor. 15:51-54; 1 Tess. 4:13-17; 1 Tim.
6:15,16; Op. 20:1-10).
Het millennium is de duizendjarige regering van Christus met zijn heiligen in de hemel tussen
de eerste en de tweede opstanding. Gedurende deze periode worden de onrechtvaardige doden
geoordeeld; de aarde zal geheel verlaten zijn, zonder levende menselijke bewoners, maar bevolkt
door satan en zijn engelen. Aan het einde hiervan zullen Christus met zijn heiligen en de Heilige
Stad nederdalen van de hemel naar de aarde. De onrechtvaardige doden zullen dan worden opgewekt en
met satan en zijn engelen de stad omsingelen; maar vuur van God zal hen verteren en de aarde reinigen.
Zo zal het heelal voor eeuwig worden bevrijd van zonde en zondaars.
(Jer. 4:23-26; Ez. 28:18; Zach. 14:1-4; Mal. 4:1; 1 Kor. 6; 2 Tess. 1:7-9; 2 Petr. 2:4; Op.
19:17,18,21; 20).
Op de nieuwe aarde, waar gerechtigheid woont, zal God een eeuwig tehuis voor de verlosten bieden,
en een volmaakt milieu voor eeuwig leven, liefde, vreugde en ontwikkeling in zijn aanwezigheid.
Want hier zal God zelf bij zijn volk wonen, en leed en dood zullen voorbij zijn. De grote strijd
zal ten einde zijn en er zal geen zonde meer zijn. Alles, bezield of onbezield, zal verklaren
dat God liefde is; en Hij zal voor eeuwig heersen.
(Gen. 17:1-8; Jes. 35; 65:17-25; Mat. 5:5; 2 Petr. 3:13; Op. 21:1-7; 22:1-5; 11:15).
Door zijn dood aan het kruis triomfeerde Jezus over de machten van het kwaad. Hij, die tijdens zijn dienstwerk
op aarde de demonische geesten onderwierp, heeft hun macht gebroken en hun uiteindelijke ondergang verzekerd.
Jezus' victorie geeft ons de overwinning over de boze machten die ons nog steeds in hun ban willen houden,
als wij met hem wandelen in vrede en vreugde, verzekerd van zijn liefde. De heilige Geest leeft nu in ons en geeft ons kracht.
In onze voortdurende toewijding aan Jezus als onze Zaligmaker en Heer zijn wij bevrijd van de last van onze daden in het verleden.
Wij leven niet langer in duisternis, bevreesd voor boze machten, in onwetendheid en in de zinloosheid van onze vroegere leefwijze.
In de nieuwe vrijheid die we in Christus bezitten zijn we geroepen om te groeien in de gelijkvormigheid aan zijn karakter,
om dagelijks gemeenschap te hebben met hem in gebed, ons te voeden met zijn woord, te mediteren over dit woord en over zijn voorzienigheid,
te zingen tot zijn eer, samen te komen om hem te eren, en deel te hebben aan de zendingsopdracht van de kerk.
Wanneer wij onszelf in liefdevolle dienstbaarheid geven aan de mensen om ons heen en getuigen van zijn redding,
zal zijn onafgebroken aanwezigheid met ons, door de Geest, elk moment transformeren en elke taak tot een geestelijke ervaring maken.
(Ps 1:1, 2; 23:4; 77:11, 12; Kol 1:13, 14; 2:6, 14, 15; Luc. 10:17-20; Ef 5:19, 20; 6:12-18; 1 Tes. 5:23; 2 Petr. 2:9; 3:18;
2 Kor. 3:17, 18; Fil 3:7-14; 1 Tes. 5:16-18; Mat. 20:25-28; Joh. 20:21; Gal. 5:22-25; Rom. 8:38, 39; 1 Joh. 4:4; Hebr. 10:25.)
Bron: De daad bij het woord - Profiel van de Zevende-dags Adventisten, Reinder Bruinsma, 1992,
Veritas, Den Bosch 3. De Vader
4. De Zoon
5. De Heilige Geest
6. De Schepping
7. De natuur van de mens
8. De grote strijd
9. Het leven, de dood en de opstanding van Christus
10. De ervaring van verlossing
11. De kerk
12. De "rest" en haar zending
13. De eenheid in het lichaam van Christus
14. De doop
15. De maaltijd des Heren
16. Geestelijke gaven en bedieningen (ambten)
17. Gave der profetie
18. De wet van God
19. De sabbat
20. Rentmeesterschap
21. Het gedrag van de christen
22. Huwelijk en gezin
23. De dienst van Christus in het hemels heiligdom
24. De tweede komst van Christus
25. Dood en opstanding
26. Het millennium en het einde van de zonde
27. De nieuwe aarde
28. Groeien in Christus ( nr 11 )
